ECLI:NL:PHR:2004:AO6917
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schadeloosstelling bij eigendomsovergang en afbraak gebouw verhuurd perceel
In deze zaak gaat het om de uitleg van art. 7A:1636a (oud) BW, nu art. 7:309 BW Pro, betreffende schadeloosstelling aan een huurder bij eigendomsovergang van verhuurd vastgoed dat wordt afgebroken voor werken in het algemeen belang.
De eiser huurde sinds 1991 een perceel met gebouwen van de verweerder, die sinds 1989 juridisch eigenaar was. De huurovereenkomst werd opgezegd en het perceel werd in 1994 economisch verkocht aan een derde partij, die de gebouwen in 1995 liet slopen. De eiser vorderde schadeloosstelling van de verweerder wegens het verlies van de huurkans.
De rechtbank oordeelde dat de verweerder geen schadeloosstelling verschuldigd was omdat hij niet de eigenaar was die tot afbraak overging; dat was de economische eigenaar. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de regeling alleen ziet op de verhuurder die door eigendomsovergang verhuurder is geworden, en niet op de oorspronkelijke eigenaar zonder rechtsvoorganger die de huur opzegt.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af, waarmee de vordering tot schadeloosstelling wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de verweerder geen schadeloosstelling aan de eiser verschuldigd is.