ECLI:NL:PHR:2004:AO7887
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schadevergoeding bij rechtmatige huiszoeking ter inbeslagneming
In deze zaak vordert een niet-verdachte schadevergoeding van de Staat wegens schade veroorzaakt tijdens een rechtmatige huiszoeking ter inbeslagneming in haar woning. De feiten betreffen een confrontatie waarbij een op een Uzi gelijkend wapen werd gebruikt, waarna de politie een huiszoeking verrichtte. De rechtbank kende een deel van de materiële schade toe, het hof stelde een maatstaf vast waarbij schade die tijdens een rechtmatige huiszoeking wordt toegebracht in beginsel niet tot het normale maatschappelijke risico behoort, maar wel kan worden toegerekend aan de benadeelde indien deze betrokken is bij het strafbare feit of dit wist of behoorde te vermoeden.
De Hoge Raad bespreekt de verhouding tussen het gelijkheidsbeginsel (égalitébeginsel) en het evenredigheidsbeginsel en bevestigt dat de eisende partij de stelplicht en bewijslast draagt om aan te tonen dat zij onevenredig is benadeeld buiten het normale maatschappelijke risico. Tevens overweegt de Hoge Raad dat een familierelatie waarbij een verdachte bij de benadeelde inwoont, kan leiden tot gedeeltelijke toerekening van de schade aan de benadeelde. De Staat kan zich niet verenigen met de helft-verdeling, maar de Hoge Raad wijst dit bezwaar af.
De conclusie is dat de Staat aansprakelijk is voor vergoeding van de schade aan goederen van derden die in de woning lagen en voor 50% van de schade aan goederen van de benadeelde zelf. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de Staat en bevestigt de door het hof toegepaste maatstaven en verdeling van de schadevergoeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staat wordt verworpen en de schadevergoeding wordt toegewezen volgens de maatstaf van het hof.