ECLI:NL:PHR:2004:AO9919
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleveringsverzoek aan België: beoordeling verzetmogelijkheid en vertrouwensbeginsel
In deze zaak staat het uitleveringsverzoek van een persoon aan België centraal, waarbij de vraag is of sprake is van een executieuitlevering of een vervolgingsuitlevering. De rechtbank had de uitlevering ontoelaatbaar verklaard omdat zij oordeelde dat de opgeëiste persoon geen verzet meer kon instellen tegen een verstekvonnis uit België.
De Hoge Raad stelt dat op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de door België verstrekte informatie, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon wel degelijk het recht heeft om verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis. Het feit dat de opgeëiste persoon heeft aangegeven geen verzet te willen instellen doet hieraan niet af.
De Hoge Raad benadrukt dat de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzet aan de Belgische rechter toekomt en dat de Nederlandse uitleveringsrechter niet mag oordelen dat sprake is van een executieuitlevering indien dit niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft volgens de Hoge Raad een onjuiste rechtsopvatting gehuldigd en dient de uitspraak te vernietigen. De zaak wordt terugverwezen voor een nader onderzoek en zitting.
Verder wordt toegelicht dat in België de betekening van een verstekvonnis aan een ander dan de veroordeelde (bijvoorbeeld de Procureur des Konings) plaatsvindt en dat de verzetstermijn pas begint te lopen vanaf het moment dat de veroordeelde hiervan op de hoogte is gebracht. Dit nuanceert het oordeel van de rechtbank dat de opgeëiste persoon reeds in januari 2002 op de hoogte was van de veroordeling.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het middel gegrond is en dat de bestreden uitspraak vernietigd moet worden, waarna de Hoge Raad de opgeëiste persoon zal oproepen voor een nader te bepalen zitting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek en zitting.