ECLI:NL:PHR:2004:AP0167
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid hoger beroep bij te late indiening ondanks taalbarrière verdachte
In deze zaak werd verdachte, die de Nederlandse taal niet machtig was, niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens het te laat instellen daarvan na betekening van een verstekvonnis. Verdachte stelde dat hij de mededeling niet begreep omdat deze niet vertaald was, en beriep zich op artikel 6 lid 3 EVRM Pro en artikel 14 lid 3 IVBPR Pro.
Het Hof had vastgesteld dat verdachte de mededeling in persoon had ontvangen en dat het op de weg van verdachte lag zich te informeren over de inhoud en de termijn voor hoger beroep. De Hoge Raad bevestigde dat de mededeling van een rechterlijke beslissing niet als een mededeling ex artikel 6 lid 3 EVRM Pro moet worden gezien, waarvoor een vertaling vereist is.
De Hoge Raad overwoog dat het niet ontvangen van een vertaling niet leidt tot ontvankelijkheid van het hoger beroep indien verdachte niet onverwijld actie heeft ondernomen om de inhoud te begrijpen. De verdachte had ook niet aangetoond dat het Openbaar Ministerie verplicht was om een vertaling te verstrekken.
Daarmee werd het middel verworpen en bleef de niet-ontvankelijkverklaring in stand. De uitspraak benadrukt het belang van de verantwoordelijkheid van de verdachte om zich tijdig te informeren over de inhoud van officiële stukken, ook bij taalbarrières.
Uitkomst: Het hoger beroep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening ondanks taalbarrière.