ECLI:NL:PHR:2004:AP0426
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over opschortende werking van gratieverzoek na aanvang tenuitvoerlegging straf
De zaak betreft de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door aan het gratieverzoek van verweerder geen opschortende werking toe te kennen nadat de tenuitvoerlegging van zijn straf was aangevangen.
Verweerder was veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk was. Na een oproep om zich te melden voor de uitvoering van de straf, diende verweerder een gratieverzoek in met het verzoek om opschortende werking. Dit werd geweigerd omdat de tenuitvoerlegging reeds was aangevangen en verweerder zich aan de straf had onttrokken.
De Voorzieningenrechter wees de vordering van verweerder af, maar het Hof vernietigde dit en kende alsnog opschortende werking toe. De Staat kwam hiertegen in cassatie.
De Hoge Raad stelde vast dat volgens de wettelijke regeling (art. 558a en 559 Sv) opschortende werking van een gratieverzoek alleen geldt indien de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen. Omdat het gratieverzoek van verweerder na aanvang van de tenuitvoerlegging was ingediend, kon geen opschortende werking worden toegekend. Het arrest van het Hof werd vernietigd en het vonnis van de Voorzieningenrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het gratieverzoek van verweerder had geen opschortende werking omdat de tenuitvoerlegging van de straf reeds was aangevangen.