ECLI:NL:PHR:2004:AP8079
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor opzettelijke verontreiniging van oppervlaktewater en bodem door Maas-slib en afvaldumping
De zaak betreft een directeur van vennootschappen die tussen maart 1995 en april 1995 zonder vergunning Maas-slib heeft gebracht in een grindgat in open verbinding met de Maas, en daarnaast verontreinigd slib op en in de bodem heeft aangebracht zonder de vereiste maatregelen te nemen. Tevens heeft hij in 1999 afvalstoffen gedumpt in het winterbed van de Maas.
Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte opdracht gaf en feitelijk leiding gaf aan deze verboden gedragingen. De Hoge Raad oordeelt dat het begrip 'brengen in oppervlaktewater' ruim moet worden uitgelegd en ook het terugvoeren van slib dat de drooggevallen rivierbedding heeft achtergelaten omvat.
De verdediging voerde onder meer aan dat het slib nooit het oppervlaktewater had verlaten en dat de verdachte handelde in overeenstemming met het beleid van Rijkswaterstaat. Deze verweren werden door het hof verworpen vanwege onvoldoende bewijs en het feit dat de verdachte wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de bodemverontreiniging kon optreden.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af. De straf bestaat uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een geldboete van €10.000,=.
De zaak benadrukt de ruime interpretatie van milieucriminaliteitsbegrippen en het belang van vergunningen en zorgvuldigheid bij het omgaan met verontreinigende stoffen in oppervlaktewater en bodem.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een geldboete van €10.000 wegens opzettelijke verontreiniging van oppervlaktewater en bodem.