ECLI:NL:PHR:2004:AQ4239

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00364/04 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest Hof wegens onvoldoende motivering niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na overschrijding redelijke termijn

In deze zaak ging het om een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel die door het Openbaar Ministerie was aangekondigd tijdens de strafzaak tegen de verdachte op 16 oktober 1996. Na diverse procedures, waaronder een veroordeling door de rechtbank en het hof, en meerdere zittingen, duurde het uiteindelijk ruim zeven jaar voordat het hof op 1 december 2003 uitspraak deed over de ontnemingsvordering.

Het hof verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het hof motiveerde dat het tijdsverloop tussen de aankondiging van de vordering en de behandeling in hoger beroep te lang was en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die deze overschrijding rechtvaardigden. Daarom kon niet worden volstaan met een vermindering van het ontnemingsbedrag.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom niet volstaan kon worden met een vermindering van het bedrag, terwijl dit het uitgangspunt is bij overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken. Bovendien was het tijdsverloop mede veroorzaakt door terugwijzing van de zaak en het gebruik van rechtsmiddelen door de veroordeelde, en was er geen klacht van de verdachte over de duur van de procedure. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering van de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.

Conclusie

Nr. 00364/04 P
Mr. Fokkens
Zitting: 6 juli 2004
Conclusie inzake:
[verdachte = betrokkene]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het Openbaar Ministerie in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet-ontvankelijk verklaard.
2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
4. Het Hof heeft zijn beslissing het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren als volgt gemotiveerd:
"4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
Naar het oordeel van het hof is het totale tijdsverloop tussen de terechtzitting in de strafzaak tegen veroordeelde d.d. 16 oktober 1996, op welke terechtzitting door de officier van justitie een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde werd aangekondigd, en de behandeling van de onderhavige zaak ter terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2003 zodanig, dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Van het bestaan van bijzondere omstandigheden met betrekking tot deze niet ingewikkelde ontnemingszaak die tot een ander oordeel zouden behoren te leiden, is niet gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn is van dien aard dat -ook na afweging van het belang dat de gemeenschap na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij voordeelsontneming tegen het belang dat de veroordeelde heeft bij verval van het recht tot voordeelsontneming nadat die termijn is overschreden- niet kan worden volstaan met de oplegging van een lager ontnemingsbedrag, aangenomen dat aan alle overige voorwaarden voor ontneming is voldaan. Daarom moet het openbaar ministerie -met vernietiging van het vonnis waarvan beroep- alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel."
5. Deze beslissing mag opmerkelijk worden genoemd omdat van de zijde van verdachte en zijn raadsman in het geheel geen beroep was gedaan op overschrijding van de redelijke termijn, laat staan een beroep op zodanige overschrijding dat daarop de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering tot ontneming zou moeten volgen. Uit het ontbreken van een dergelijk verweer - de enkele opmerking van de raadsman dat hij, gelet op het tijdsverloop, om matiging van het te betalen bedrag vraagt kan niet als zodanig worden opgevat - kan bezwaarlijk iets anders worden opgemaakt dan dat de veroordeelde in zijn beleving niet langer dan redelijk is onder de dreiging van de ontnemingprocedure heeft geleefd (vgl. HR NJ 2000, 721, r.o. 3.9) en rijst de vraag of er in die omstandigheden voor de rechter een grond was om ambtshalve een schending van de redelijke termijn voor berechting vast te stellen. Nu daarover niet wordt geklaagd laat ik die vraag verder rusten.
6. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende tijdsverloop:
- bij het requisitoir in de strafzaak tegen de (toen) verdachte heeft de Officier van Justitie ter terechtzitting van de rechtbank op 16 oktober 1996 aangekondigd het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen;
- bij vonnis van 30 oktober 1996 heeft de Rechtbank hem veroordeeld;
- het Hof heeft bij arrest van 7 mei 1997 de verdachte veroordeeld wegens - kort gezegd - deelneming aan een criminele organisatie en medeplegen van invoer van hashish tot een gevangenisstraf van eenentwintig maanden;
- op 2 november 1998 is de vordering tot ontneming aan de veroordeelde betekend door verzending aan zijn gba-adres (En niet op 23 oktober 1998 aan hem in persoon betekend, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld. Op 23 oktober 1998 is de vordering teruggezonden aan de afzender omdat de vordering na eerdere aanbieding op het gba-adres op 15 oktober 1998 niet op het postkantoor is afgehaald.);
- op de terechtzitting van de rechtbank van 1 december 1999 is tegen de veroordeelde verstek verleend en de vordering behandeld;
- bij beslissing van 17 december 1998 heeft de rechtbank de veroordeelde een betalingsverplichting van fl. 70.000 opgelegd (€31.764,62);
- bij arrest van 17 januari 2001 heeft het Hof de zaak teruggewezen naar de Rechtbank omdat niet aan de veroordeelde, die in voorlopige hechtenis had gezeten, door de voorzitter van de Rechtbank een raadsman was toegewezen;
- ter terechtzitting van de rechtbank van 19 september 2002 is de veroordeelde verschenen met zijn raadsman en is de vordering behandeld;
- de rechtbank heeft op 3 oktober 2002 uitspraak gedaan;
- op 17 oktober 2002 is namens de veroordeelde hoger beroep aangetekend;
- de vordering is in hoger beroep behandeld op de terechtzitting van het Hof van 17 november 2003;
- het Hof heeft bij arrest van 1 december 2003 uitspraak gedaan.
7. In de toelichting op het middel wordt onder meer aangevoerd dat het tijdsverloop van zeven jaar en een halve maand mede het gevolg is van de terugwijzing door het Hof op 17 januari 2001 en van het aanwenden van rechtsmiddelen door de veroordeelde. Bovendien heeft het Hof in zijn motivering geen zwaarwegende omstandigheden (aan de zijde van de veroordeelde) vastgesteld die zouden moeten leiden tot de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
8. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt dat overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken in de regel behoort te leiden tot vermindering van het te betalen bedrag. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats (vgl. HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307 rov. 3.11 en 3.12).
9. Het enkele feit dat de ontnemingsprocedure zeven jaar en een halve maand heeft geduurd rechtvaardigt niet de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, zeker niet nu dit tijdsverloop mede het gevolg is van een terugwijzing van de zaak door de appèlrechter en van de zijde van verdachte niet over de duur van de procedure is geklaagd.(1) Het Hof heeft geen bijzondere omstandigheden vastgesteld die tot het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie aanleiding zouden kunnen geven. Zonder nadere motivering, die in het arrest ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom vermindering van het te betalen bedrag niet passend zou zijn. De beslissing van het Hof is dus onvoldoende gemotiveerd en het middel is terecht voorgesteld.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's- Gravenhage teneinde op het bestaande beroep alsnog te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv.
1 Vgl. HR 15 juni 2004, LJN: AO8364 waarin sprake was van een totale duur van zes jaren en zeven maanden.