ECLI:NL:PHR:2004:AQ4239
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest Hof wegens onvoldoende motivering niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na overschrijding redelijke termijn
In deze zaak ging het om een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel die door het Openbaar Ministerie was aangekondigd tijdens de strafzaak tegen de verdachte op 16 oktober 1996. Na diverse procedures, waaronder een veroordeling door de rechtbank en het hof, en meerdere zittingen, duurde het uiteindelijk ruim zeven jaar voordat het hof op 1 december 2003 uitspraak deed over de ontnemingsvordering.
Het hof verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het hof motiveerde dat het tijdsverloop tussen de aankondiging van de vordering en de behandeling in hoger beroep te lang was en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die deze overschrijding rechtvaardigden. Daarom kon niet worden volstaan met een vermindering van het ontnemingsbedrag.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom niet volstaan kon worden met een vermindering van het bedrag, terwijl dit het uitgangspunt is bij overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken. Bovendien was het tijdsverloop mede veroorzaakt door terugwijzing van de zaak en het gebruik van rechtsmiddelen door de veroordeelde, en was er geen klacht van de verdachte over de duur van de procedure. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering van de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.