ECLI:NL:PHR:2004:AQ7380
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging partneralimentatie wegens samenleven als waren zij gehuwd
Partijen zijn in 1985 gehuwd en in 1998 gescheiden. De man was verplicht om aan de vrouw partneralimentatie te betalen voor een periode van 12 jaar, met een beding dat de verplichting eindigt bij hertrouwen of samenwonen als waren zij gehuwd volgens art. 1:160 BW Pro.
De man verzocht de rechtbank en later het hof om te verklaren dat zijn alimentatieplicht is geëindigd vanaf maart 2000, omdat de vrouw een affectieve relatie had met een ander, [betrokkene 1], en zij samenleefden als waren zij gehuwd. De rechtbank wees dit af, maar het hof stelde vast dat vanaf 27 december 2001, na de echtscheiding van [betrokkene 1], sprake was van samenleven als waren zij gehuwd, ook al hielden zij een zogenoemde LAT-relatie met gescheiden woonadressen.
Het hof achtte aannemelijk dat de vrouw en [betrokkene 1] elkaar verzorgden, samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden, ondanks pogingen van de vrouw om dit te verhullen. De Hoge Raad bevestigde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat het cassatieberoep van de vrouw faalt. Tevens verduidelijkte de Hoge Raad dat het schrappen van de samenwoningsplicht binnen het huwelijk niet betekent dat samenwoning geen vereiste meer is voor art. 1:160 BW Pro.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de alimentatieverplichting van de man eindigde op 27 december 2001, met terugvordering van onverschuldigde betalingen door de vrouw.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de alimentatieverplichting eindigde per 27 december 2001 wegens samenleven als waren zij gehuwd.