ECLI:NL:PHR:2004:AR3050
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens overschrijding redelijke termijn niet gerechtvaardigd
In deze zaak ging het om de vraag of het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het zonder vergunning exploiteren van speelautomaten. De procedure duurde in totaal ruim zes jaar, waarbij het hof oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden en verklaarde het OM niet-ontvankelijk.
De advocaat-generaal stelde cassatieberoep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De Hoge Raad overwoog dat overschrijding van de redelijke termijn in de regel leidt tot strafvermindering en slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom in deze zaak niet-ontvankelijkheid passend zou zijn, terwijl de zaak niet ingewikkeld was en geen bijzondere omstandigheden waren gesteld.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere berechting. Hiermee werd bevestigd dat een termijnoverschrijding van ruim drie jaar in eerste aanleg en ruim drie jaar in hoger beroep niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar meestal tot strafvermindering.
Uitkomst: Het arrest van het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen.