ECLI:NL:HR:2002:AE1487
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Vermindering ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin betrokkene werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 450.000,- aan de Staat, subsidiair 36 maanden hechtenis. Betrokkene stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden.
De Hoge Raad constateerde dat het cassatieberoep meer dan twee jaar na instellen werd behandeld, wat een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt. Gezien het belang van normhandhaving en het belang van betrokkene bij een redelijke termijn, besloot de Hoge Raad het opgelegde bedrag en de duur van de vervangende hechtenis te verminderen.
Verder werd beoordeeld of het hof ten onrechte de behandeling bij verstek had voortgezet zonder onderzoek naar de afwezigheid van de raadsvrouwe. Hoewel de oproeping niet aan de raadsvrouwe was betekend conform art. 51 Sv Pro, oordeelde de Hoge Raad dat dit niet leidde tot een ongeldige behandeling omdat de raadsvrouwe op andere wijze op de hoogte was gesteld.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft het bedrag en de duur van de hechtenis, stelde het bedrag vast op € 160.000,- en de hechtenis op 22 maanden, en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: Hoge Raad vermindert het te betalen bedrag tot €160.000,- en de vervangende hechtenis tot 22 maanden wegens overschrijding redelijke termijn.