ECLI:NL:PHR:2004:AR4045
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over reikwijdte regiefunctie gemeente bij voorkeursrecht grond
In deze zaak stond centraal de uitleg van het begrip 'regiefunctie' van gemeenten in het kader van het voorkeursrecht op grond zoals geregeld in artikel 26 van Pro de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). Verzoeksters hadden een samenwerkingsovereenkomst gesloten die volgens de gemeente en het hof afbreuk deed aan haar voorkeursrecht en regiefunctie.
De Hoge Raad bevestigde dat de regiefunctie van de gemeente verder reikt dan louter passieve grondverwerving en dat gemeenten het recht hebben om voorwaarden te stellen aan de verwezenlijking van bestemmingen, ook door derden. Dit recht strekt zich uit tot het voeren van een actief en gericht grondbeleid, waarbij de gemeente de vrijheid moet behouden om met te verplaatsen bedrijven te onderhandelen over voorwaarden voor verplaatsing en bouw.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat de samenwerkingsovereenkomst onvoldoende waarborg bood dat de gerechtvaardigde belangen van de gemeente bij de verwezenlijking van het bestemmingsplan werden gewaarborgd. Ook werd benadrukt dat de regiefunctie niet beperkt is tot financiële aspecten en dat gemeenten eisen mogen stellen die vergelijkbaar zijn met die bij gronduitgifte.
De conclusie van de Hoge Raad was dat de overeenkomst met kennelijke strekking was gesloten om het voorkeursrecht van de gemeente te ontgaan en dat de gemeente in dit stadium van planontwikkeling een gerechtvaardigd belang had bij een actief verwervingsbeleid. Het beroep van verzoeksters werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de nietigverklaring van de samenwerkingsovereenkomst wegens schending van het voorkeursrecht en de regiefunctie van de gemeente.