ECLI:NL:PHR:2004:AR4898
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Eisen aan cassatiemiddel bij bewezenverklaring feitelijke aanranding eerbaarheid
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Verdachte stelde zes middelen van cassatie voor, waarvan het eerste middel een algemene klacht bevatte dat het bewijs onvoldoende was. De Hoge Raad stelt dat dergelijke algemene klachten niet voldoen aan de eisen van art. 437 lid 2 Sv Pro en derhalve onbesproken blijven.
De Hoge Raad bespreekt vervolgens de overige middelen, waaronder het bezwaar tegen het gebruik van twee getuigenverklaringen die niet ter terechtzitting konden worden ondervraagd. Het hof mocht deze verklaringen gebruiken omdat ze voldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van het slachtoffer die wel ter zitting werd gehoord. Ook het ontbreken van een DNA-spoor van verdachte werd door het hof terecht niet doorslaggevend geacht.
Verder worden klachten over discrepanties in verklaringen en geloofwaardigheid van het slachtoffer verworpen, aangezien de waardering van bewijs aan de feitenrechter is voorbehouden. De Hoge Raad concludeert dat het hof zijn bewijsoordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat de middelen falen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.