ECLI:NL:PHR:2005:AE6417
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid van kosten bij houdstermaatschappij in relatie tot deelnemingsvrijstelling en EG-vrijheden
De zaak betreft de fiscale behandeling van diverse kostenposten gemaakt door een zuivere houdstermaatschappij, X N.V., waaronder kapitaalsuitbreiding, reorganisatie, beursnotering en investor relations, en de vraag of deze kosten aftrekbaar zijn in het kader van de deelnemingsvrijstelling volgens artikel 13 Wet Pro Vpb (tekst 1989).
De belanghebbende voerde aan dat bepaalde kosten niet onder de aftrekbeperking van artikel 13, lid 4, Wet Vpb vallen en dat de beperking in strijd is met de EG-vrijheid van vestiging. Het Hof verwierp dit en oordeelde dat de kosten van beursgang en investor relations niet aftrekbaar zijn. De staatssecretaris stelde dat reorganisatiekosten niet aftrekbaar zijn en dat deze tot de kostprijs van deelnemingen moeten worden gerekend.
De Hoge Raad concludeert dat het Hof niet de juiste maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van de aftrekbaarheid van beursnoterings- en investor relations-kosten en dat de reorganisatiekosten nader feitelijk onderzoek behoeven. Tevens wordt de zaak aangehouden in afwachting van het arrest van het HvJ EG in zaak C-180/01, dat prejudiciële vragen behandelt over de EG-vrijheid van vestiging en de aftrekbeperking van financieringskosten.
De Hoge Raad benadrukt dat kosten die eigen zijn aan de rechtsvorm van de houdstermaatschappij, zoals kapitaalsbelasting, niet aan de deelnemingsvrijstelling worden getoetst en dat kosten die niet toerekenbaar zijn aan specifieke voordelen buiten de aftrekbeperking kunnen vallen. De zaak wordt verwezen voor nader onderzoek en de partijen krijgen gelegenheid te reageren op het HvJ EG-arrest.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden in afwachting van het arrest van het HvJ EG in zaak C-180/01 en verwezen voor nader onderzoek van reorganisatiekosten.