ECLI:NL:HR:2005:AE6417
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over aftrekbaarheid kosten deelnemingen en vestigingsvrijheid
Belanghebbende, een Nederlandse houdstermaatschappij met buitenlandse dochtermaatschappijen, maakte kosten in 1989 die verband hielden met haar deelnemingen, waaronder kapitaalsbelasting, beursgangkosten, reclamekosten en reorganisatiekosten. De Inspecteur stelde het verlies vast op ƒ 1.700.643, terwijl het hof dit verhoogde naar ƒ 13.198.803, waarbij het hof bepaalde kosten niet in aftrek toeliet op grond van artikel 13, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuist juridisch uitgangspunt hanteerde door kosten verband houdende met deelnemingen in EU-lidstaten niet toe te laten, in strijd met het arrest Bosal en het EG-Verdrag. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat beursgang- en investor relations-kosten niet als kosten verband houdend met deelnemingen kunnen worden aangemerkt en dus niet aftrekbaar zijn.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor nadere beoordeling van de reorganisatiekosten, waarbij moet worden onderzocht in hoeverre deze kosten aan voordelen uit deelnemingen kunnen worden toegerekend. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, terwijl belanghebbende werd vrijgesteld van griffierecht.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van reorganisatiekosten in verband met deelnemingen.