ECLI:NL:PHR:2005:AR1497
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over emigratieheffing en verdragstoepassing bij pensioen-BV zetelverplaatsing
Deze zaak betreft de fiscale behandeling van een pensioenaanspraak van een directeur die met zijn gezin naar België emigreerde, terwijl gelijktijdig de feitelijke leiding van zijn pensioen-BV naar België werd verplaatst. De inspecteur had het inkomen van de belanghebbende verhoogd met de waarde van de pensioenaanspraak op grond van artikel 11c, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964, omdat de aanspraak door emigratie onzuiver zou zijn geworden.
Het hof Arnhem oordeelde dat de aanspraak als loon moest worden aangemerkt en dat het belastingverdrag Nederland-België niet aan Nederlandse heffing in de weg stond, omdat op het geconstrueerde genietingsmoment Nederland zowel woonstaat als bronstaat was. De belanghebbende stelde cassatieberoep in met onder meer het betoog dat het verdrag Nederland-België Nederlandse heffing verbiedt.
De Hoge Raad concludeert dat het belastingverdrag het heffingsrecht over pensioenen exclusief aan de woonstaat toewijst en dat de nationale wetsfictie die het genietingsmoment vóór emigratie plaatst, niet mag leiden tot eenzijdige wijziging van de verdragswerking. De belanghebbende moet voor verdragstoepassing als inwoner van België worden beschouwd, zodat Nederland niet mag heffen over de pensioenaanspraak. Het beroep wordt gegrond verklaard en het hofvonnis vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat Nederland niet mag heffen over de pensioenaanspraak van de belanghebbende vanwege het belastingverdrag met België en vernietigt het hofvonnis.