ECLI:NL:PHR:2005:AR1498
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vestiging en vaste inrichting voor toepassing kleine ondernemersregeling omzetbelasting
Belanghebbende, woonachtig in België, exploiteerde een eenmanszaak in Nederland voor administratie en belastingadvies. Hij bracht op zijn aangifte de kleine ondernemersregeling (KOR) in mindering, maar de Inspecteur weigerde toepassing vanwege het ontbreken van een vaste inrichting in Nederland en legde een naheffingsaanslag op.
Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat geen vaste inrichting aanwezig was en dat de KOR niet van toepassing was. Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof onvoldoende onderzoek had gedaan naar de vaste inrichting en dat het vestigingsvereiste van de KOR leidt tot discriminatie van buitenlandse ondernemers, in strijd met het vrije dienstenverkeer van het EG-recht.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld over het ontbreken van een vaste inrichting, mede gezien de door belanghebbende aangevoerde kantoorruimte in Nederland. Tevens wordt toegelicht dat de KOR een degressieve vermindering betreft, waarvoor het vestigingsvereiste niet dwingend is volgens de Zesde BTW-Richtlijn, maar dat de Nederlandse regeling aan het vrije dienstenverkeer moet voldoen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor nader feitelijk onderzoek naar het bestaan van een vaste inrichting in Nederland. De vraag of het vestigingsvereiste in strijd is met het vrije dienstenverkeer wordt niet beantwoord zolang niet vaststaat of een vaste inrichting aanwezig is.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nader feitelijk onderzoek naar het bestaan van een vaste inrichting in Nederland.