ECLI:NL:PHR:2005:AR5382
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling beperkte huwelijkse gemeenschap en natuurlijke verbintenis bij echtscheiding
De zaak betreft de verdeling van een beperkte huwelijkse gemeenschap na echtscheiding waarbij vier hoofdpunten in cassatie aan de orde zijn: of een betaling door de man op de hypothecaire lening een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw vormt; de maatstaf voor verrekening van investeringen in opstallen op het gezamenlijke onroerend goed; de waardering van inboedelgoederen die de vrouw verkocht heeft voor ontbinding van het huwelijk; en de betekenis van een vermeende afspraak over lasten van de hypothecaire lening.
De Hoge Raad bevestigt dat de beoordeling van een natuurlijke verbintenis afhangt van objectieve omstandigheden op het moment van prestatie, zoals wederzijdse welstand en behoefte. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de betaling van f. 80.000,- niet strekte tot een natuurlijke verbintenis, mede omdat het onroerend goed ook diende als bedrijfshuisvesting en beide partijen inkomsten hadden.
Verder is de leer uit het arrest Kriek/Smit gevolgd dat investeringen in opstallen aanspraak geven op terugbetaling van nominale bedragen, tenzij onredelijkheid dit verhindert. De vrouw kon geen billijkheidscorrectie aantonen. De verkoop van inboedel zonder instemming van de andere partij leidt tot een vergoeding van de waarde van die goederen. De vermeende afspraak over het dragen van lasten door de man is onvoldoende bewezen. Cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen; het hof heeft terecht geoordeeld over natuurlijke verbintenis, verrekening van investeringen en inboedel, en de lastenafspraak.