ECLI:NL:PHR:2005:AR6201
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boedelverdeling huwelijksgoederengemeenschap wegens dwaling niet bewezen
De zaak betreft een geschil over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen een man en een vrouw, die in 1982 trouwden zonder huwelijkse voorwaarden en in 1998 zijn gescheiden. Partijen sloten in 1997 een echtscheidingsconvenant waarin zij de boedelverdeling regelden. De vrouw vorderde vernietiging van deze verdeling wegens dwaling, omdat zij zich benadeeld achtte.
De rechtbank vernietigde de boedelverdeling, maar wees andere vorderingen af. De man ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met schulden aan zijn broer. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat de man de schulden niet had bewezen met de overgelegde bescheiden.
In cassatie betoogde de man dat het hof het bewijsrecht en de motiveringsplicht had geschonden. De Hoge Raad verwierp dit beroep, stellende dat de bescheiden geen dwingend bewijs vormden en dat de waardering van bewijsmiddelen aan de feitenrechter is voorbehouden. De motivering van het hof was voldoende begrijpelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft terecht geoordeeld dat de schulden aan de broer niet zijn bewezen.