ECLI:NL:PHR:2005:AR6821
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingplicht van vergoeding vrijwillige politieambtenaar en bron van inkomen
Belanghebbende was in 1999 vrijwillige ambtenaar van politie en ontving een vergoeding van ƒ 7,50 per uur, waarvan ƒ 5 als vaste kostenvergoeding werd aangemerkt. De Inspecteur stelde dat het overige bedrag als loon moest worden belast. Belanghebbende voerde aan dat er geen bron van inkomen was omdat de vergoeding slechts kosten dekte.
Het Hof oordeelde dat sprake was van een publiekrechtelijke dienstbetrekking en daarmee een bron van inkomen, en verwierp het bezwaar van belanghebbende. In cassatie stelde belanghebbende dat geen loonbelasting verschuldigd was omdat de vergoeding de kosten niet overtrof.
De Hoge Raad bevestigde dat bij de beoordeling van een bron van inkomen moet worden gekeken naar het objectief te verwachten voordeel, waarbij ook aanspraken op sociale verzekeringen en pensioenregelingen worden betrokken. De vergoeding van ƒ 2,50 per uur (na aftrek van kostenvergoeding) werd als voorzienbaar voordelig beoordeeld. De loonbelastingplicht blijft bestaan, ook als de dienstbetrekking geen netto positief inkomen oplevert, omdat de werkgever niet kan beoordelen of er een bron is. De inhouding van loonbelasting is derhalve gerechtvaardigd, met mogelijkheid tot teruggaaf in de inkomstenbelasting.
De Hoge Raad verklaarde het cassatiemiddel ongegrond en bevestigde de loonbelastingheffing over het deel van de vergoeding dat niet als kostenvergoeding gold.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vergoeding van de vrijwillige politieambtenaar een bron van inkomen vormt en loonbelastingplichtig is.