ECLI:NL:PHR:2005:AR7439
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake vaststelling advocatensalaris
Verzoeker, een advocaat, vordert in cassatie tegen een beslissing van de Kantonrechter die het salaris vaststelde dat verweerder aan hem verschuldigd is op grond van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz). De procedure omvatte een begroting door de Raad van Toezicht, een nadere vaststelling door de kantonrechter en een verzoek tot herziening dat verzoeker bewust niet heeft benut.
De Hoge Raad bespreekt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en oordeelt dat het beroep niet openstaat indien de bezwaren kunnen worden hersteld bij dezelfde rechter, zoals geregeld in art. 399 Rv Pro. De Wtbz biedt een specifieke weg via begroting, nadere vaststelling en herziening, waarbij het herzieningsverzoek een adequate rechtsbescherming biedt.
Verzoeker heeft de herzieningsmogelijkheid genegeerd en in plaats daarvan cassatie ingesteld. De Hoge Raad stelt dat dit beroep niet-ontvankelijk is omdat de juiste weg niet is gevolgd en cassatie niet openstaat tegen beslissingen die via deze procedure zijn genomen. De conclusie is dat de Hoge Raad zich niet zal uitspreken over de inhoudelijke zaak, mede om praktische en beleidsmatige redenen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet volgen van de juiste procedure voor salarisvaststelling.