ECLI:NL:PHR:2005:AS2027
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over wijziging ontslagdatum en verjaring bij kennelijk onredelijk ontslag
De zaak betreft een werknemer die op 1 juni 1978 bij EMI in dienst trad en arbeidsongeschikt raakte op 28 oktober 1996. EMI zegde de arbeidsovereenkomst op per 1 maart 1999, na toestemming van de regionale directeur voor arbeidsvoorziening. De werknemer stelde dat EMI was teruggekomen van deze opzegging en instemde met een beëindiging per 1 juni 1999, mede omdat EMI het loon en de WAO-uitkering tot die datum bleef doorbetalen.
De rechtbank oordeelde dat de opzegging per 1 maart 1999 rechtsgeldig was en dat EMI slechts schadeplichtig was wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn. De rechtbank vond dat de gedragingen van EMI niet eenduidig konden worden opgevat als instemming met een latere ontslagdatum, en dat de vordering was verjaard.
De Hoge Raad stelt dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door de administratieve afwikkeling als verklaring te zien voor het doorbetalen van loon en uitkeringen. De Hoge Raad benadrukt dat het gaat om de betekenis die de werknemer aan de gedragingen mocht toekennen en niet om de achteraf gegeven uitleg van EMI. De Hoge Raad concludeert dat de werknemer uit de gedragingen van EMI mocht afleiden dat de ontslagdatum was verschoven naar 1 juni 1999, waardoor de vordering niet verjaard is.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis en verwijst de zaak voor verdere behandeling en beslissing over de vorderingen van de werknemer.
Uitkomst: Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.