ECLI:NL:PHR:2005:AS2746
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks onduidelijkheid toepasselijkheid wet
Het gerechtshof heeft vastgesteld dat verdachte op 21 september 2000 in Rotterdam als werkgever vreemdelingen heeft laten werken zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Het hof oordeelde dat verdachte als werkgever in de zin van de Wav moest worden aangemerkt, omdat hij feitelijk de arbeid liet verrichten en richtlijnen gaf aan de werknemers.
Verdachte voerde onder meer aan dat een van de betrokken vreemdelingen beschikte over een Italiaanse vergunning tot verblijf (VTV) en dat daardoor geen vergunning nodig was, maar het hof verwierp dit verweer omdat een buitenlandse verblijfsvergunning niet automatisch recht geeft op arbeid in Nederland. Tevens wees het hof een verzoek tot het horen van getuigen af wegens onvoldoende motivatie.
In cassatie werd aangevoerd dat verdachte verschoonbaar had gedwaald over de toepasselijkheid van de Wav en dat dit tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging moest leiden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit verweer onvoldoende had gemotiveerd en dat de onduidelijkheid over de toepasselijkheid van de wet niet zonder meer voor rekening van verdachte kon komen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak voor hernieuwde berechting naar een ander hof.
De zaak illustreert de ruime definitie van werkgever in de Wav en het belang van een zorgvuldige motivering bij het beoordelen van verschoonbare dwaling als strafuitsluitingsgrond. Het hof legde uiteindelijk vier voorwaardelijke geldboetes op, mede vanwege de onduidelijkheid over de toepasselijkheid van de wet.
Uitkomst: Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak verwezen voor hernieuwde berechting vanwege onvoldoende motivering omtrent verschoonbare dwaling.