ECLI:NL:PHR:2005:AS9307
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot horen Duitse infiltrant in drugszaken
In deze zaak is door de verdediging verzocht om een Duitse infiltrant, aangeduid als 'Vertrauensperson' [betrokkene 2], als getuige te horen in een drugszakenprocedure. Dit verzoek werd door het gerechtshof Arnhem afgewezen omdat niet aannemelijk was dat deze infiltrant in Nederland actief was geweest of contact had gehad met de verdachte. De verdediging stelde dat het niet horen van deze getuige in strijd was met artikel 6 EVRM Pro en dat het openbaar ministerie onvolledig inzicht had verschaft in het onderzoek.
De advocaat-generaal en het hof oordeelden dat de inzet van de infiltrant rechtmatig was en dat de verdediging niet in haar belangen werd geschaad door het niet horen van deze getuige. Tevens werd benadrukt dat het Nederlandse OM geen mogelijkheid had om een verhoor van deze infiltrant af te dwingen als de Duitse autoriteiten niet meewerkten.
De Hoge Raad bevestigt dat cassatie niet openstaat tegen de wijze waarop de voorzitter van het hof ordehandhaving toepast, zoals het dragen van handboeien. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht het verzoek tot het horen van de infiltrant heeft afgewezen, omdat het hof zich zonder die getuigenverklaring een oordeel kon vormen over de betrouwbaarheid van het bewijs en geen sprake was van schending van de verdedigingrechten. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek om de infiltrant als getuige te horen wordt terecht afgewezen.