ECLI:NL:HR:2005:AS9307

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02612/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 9 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens niet-ontvankelijkheid klacht over handboeien en bevestiging veroordeling Opiumwet en valsheid in reisdocument

De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet en het bezit van een vervalst reisdocument. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Almelo en legde deze straf op.

In cassatie klaagde de verdachte over een beslissing van de voorzitter van het hof tijdens de terechtzitting inzake het dragen van handboeien. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht niet tot cassatie kan leiden omdat tegen dergelijke handelingen geen cassatieberoep openstaat.

Een tweede middel werd eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat het niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakte.

De Hoge Raad vond geen reden om ambtshalve de bestreden uitspraak te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. Hiermee bleef de veroordeling van vier jaar gevangenisstraf met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf blijft in stand.

Uitspraak

19 april 2005
Strafkamer
nr. 02612/04
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 13 februari 2004, nummer 21/002321-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1972, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Almelo van 3 september 2002 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 2. "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is" veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J.L.A.M. le Cocq d'Armandville en mr. J.Y. Taekema, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van mr J.Y. Taekema op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt over de ter terechtzitting in hoger beroep door de Voorzitter van het Hof genomen beslissing inzake het dragen van handboeien door de verdachte.
3.2. De klacht kan niet tot cassatie leiden nu de klacht een handeling betreft waartegen beroep in cassatie niet openstaat.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 april 2005.