ECLI:NL:PHR:2005:AT1096
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling voor ouder met eenhoofdig gezag over kind
De zaak betreft een verzoek van de moeder, die het eenhoofdig gezag over haar kind uitoefent, om een omgangsregeling vast te stellen. De moeder vordert dat zij het kind regelmatig bij zich mag hebben, omdat de vader het kind feitelijk in huis heeft en het contact met de moeder heeft beperkt. De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en het hof bekrachtigde deze beslissing, stellende dat de moeder als gezagsouder onbeperkt recht op omgang heeft en geen omgangsregeling nodig is.
De Hoge Raad stelt echter vast dat noch de wet noch het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) zich verzet tegen het vaststellen van een omgangsregeling ten behoeve van de gezagsouder. Het recht op omgang vloeit voort uit het gezag, maar het kan noodzakelijk zijn om de wijze van uitoefening daarvan door de rechter vast te laten leggen, zeker bij conflicten tussen ouders.
De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor een inhoudelijke beoordeling. Tevens wordt benadrukt dat het blokkaderecht van de vader niet van toepassing is op de omgangsregeling en dat de omgangsregeling op zichzelf geen wijziging van de verblijfplaats van het kind inhoudt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor inhoudelijke vaststelling van een omgangsregeling ten behoeve van de gezagsouder.