ECLI:NL:PHR:2005:AT2729
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkracht bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel en overgangsrecht
In deze zaak stond de vraag centraal hoe de draagkracht van een veroordeelde moet worden beoordeeld bij de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, mede in het licht van de gewijzigde wetgeving die op 1 september 2003 in werking trad. Het hof had het voordeel vastgesteld op € 42.984,60 en de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op € 21.500,-, waarbij het hof rekening hield met de huidige en toekomstige draagkracht van de veroordeelde.
De veroordeelde voerde aan dat hij geen draagkracht had om te betalen, omdat hij schulden had opgebouwd, drugs gebruikte en een laag inkomen had. De verdediging stelde dat de betalingsverplichting op nihil moest worden gesteld. Het hof verwierp dit, omdat niet aannemelijk was dat de veroordeelde geheel niet zou kunnen betalen, mede gelet op de verjaringstermijn en de mogelijkheid tot uitstel en betaling in termijnen.
De Hoge Raad bevestigde dat de gewijzigde bepalingen in art. 36e Sr en art. 577b Sv een procesrechtelijke wijziging inhouden, waarbij draagkracht primair in de executiefase aan de orde komt. De wetgever heeft de matigingsbevoegdheid uitgebreid, zodat ook in de executiefase rekening kan worden gehouden met draagkracht die ontbreekt of zal ontbreken. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het hof terecht het bedrag niet tot nihil heeft gematigd.
De uitspraak benadrukt dat de ontnemingsmaatregel gericht is op herstel van de rechtmatige financiële toestand en niet op het in slechtere positie brengen van de veroordeelde. Tevens is van belang dat de veroordeelde bij toekomstige draagkrachtproblemen opnieuw een verzoek tot matiging kan indienen.
Uitkomst: Betalingsverplichting tot ontneming vastgesteld op € 21.500,- met mogelijkheid tot latere matiging bij ontbrekende draagkracht.