ECLI:NL:HR:2005:AT2729
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkrachtverweer bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na wetswijziging
In deze zaak stond de toepassing van de Wet aanpassing ontnemingswetgeving centraal, met name de gewijzigde artikelen 36e lid 4 Sr en 577b Sv, die betrekking hebben op het draagkrachtverweer bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene voerde aan dat hij niet in staat was om het opgelegde bedrag te betalen omdat het voordeel geheel was uitgegeven en hij geen draagkracht had.
Het hof oordeelde dat het draagkrachtverweer in beginsel in de executiefase aan de orde dient te komen en dat de gewijzigde wetgeving sinds 1 september 2003 van toepassing is op na die datum ingediende zaken. Het hof matigde het te betalen bedrag tot ongeveer de helft van het geschatte voordeel, mede gelet op de jeugdige leeftijd en verdiencapaciteit van betrokkene, en verwierp het verweer dat hij geheel niet zou kunnen betalen.
De Hoge Raad bevestigde dat de wetswijzigingen een wijziging van procesrechtelijke aard zijn en dat de huidige artikelen 36e Sr en 577b Sv van toepassing zijn op deze zaak. Het beroep van betrokkene werd verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en het oordeel niet onbegrijpelijk was.
De uitspraak benadrukt dat de rechter bij draagkrachtverweren in ontnemingszaken niet vooruitloopt op omstandigheden, maar in uitzonderlijke gevallen vooraf kan matigen als vaststaat dat betaling onmogelijk is. Verder geldt een verjaringstermijn van acht jaar voor de tenuitvoerlegging, met mogelijkheden voor uitstel en betaling in termijnen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betrokkene blijft verplicht tot betaling van een gematigd bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.