ECLI:NL:PHR:2005:AT3137
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkracht bij alimentatie na beëindiging Ziektewet-uitkering
In deze zaak gaat het om de beoordeling van de draagkracht van de man voor alimentatie na beëindiging van zijn Ziektewet-uitkering en de weigering van het UWV om een WAZ-uitkering toe te kennen. De man was sinds december 2002 afhankelijk van een Ziektewet-uitkering, maar vanaf december 2003 werd deze beëindigd en werd vastgesteld dat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt was, waardoor hij niet in aanmerking kwam voor een WAZ-uitkering.
De rechtbank stelde een alimentatiebedrag vast, dat de man in hoger beroep betwistte met het argument dat zijn draagkracht onvoldoende was. Het hof bevestigde echter de alimentatieverplichting op basis van de beschikbare gegevens, waaronder de UWV-beslissing die uitwees dat de man geschikt was voor gangbaar werk in loondienst met een bruto inkomen van circa €1.745 per maand. De man leverde geen aanvullende gegevens over zijn inkomsten na beëindiging van de Ziektewet-uitkering.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechter niet verplicht is om nadere feiten op te sporen of de partij in de gelegenheid te stellen ontbrekende gegevens alsnog te leveren, zeker niet wanneer het aannemelijk is dat dergelijke gegevens niet of niet zonder onevenredige moeite verkregen kunnen worden. De rechter mag in dat geval een schatting maken op basis van de beschikbare gegevens. Dit beleid is passend in alimentatiezaken, waar vaststellingen vatbaar zijn voor wijziging. De klachten van de man over motiveringsgebrek en verrassingsbeslissing worden verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de vaststelling van de alimentatiedraagkracht van de man op basis van beschikbare gegevens.