ECLI:NL:PHR:2005:AT3641

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02245/04 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie in ontnemingszaak wegens niet tijdig indienen middelen

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch verzoekster verplicht tot betaling van een bedrag van €19.484,82 aan de Staat wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verzoekster heeft in cassatie slechts één middel ingediend dat betrekking heeft op het ontnemingsarrest, maar dit middel voldoet niet aan de vereisten van artikel 437 Sv Pro.

De Hoge Raad benadrukt dat alleen middelen die een stellige en duidelijke klacht bevatten over de schending van een rechtsregel of het verzuim van een vormvoorschrift door de rechter in cassatie kunnen worden onderzocht. De ingediende schriftuur voldoet hier niet aan. Bovendien heeft verzoekster niet binnen de wettelijke termijn een cassatieschriftuur ingediend, waardoor zij niet in het beroep kan worden ontvangen.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt ertoe verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren in het cassatieberoep. Deze beslissing volgt op eerdere jurisprudentie waarin soortgelijke middelen werden afgewezen wegens het ontbreken van een duidelijke klacht en het niet tijdig indienen van middelen.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr.02245/04 P
Mr. Jörg
Zitting 5 april 2005
Conclusie inzake:
[verzoekster=betrokkene]
1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft op 30 januari 2004 aan verzoekster de verplichting opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat een bedrag te betalen van € 19.484,82.
2. Deze zaak hangt samen met de zaken onder nummer 02244/04 E (de strafzaak tegen [betrokkene]) en 02246/04 E ([verdachte]).
3. Namens verzoekster heeft mr. E.M. Richel, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.(1)
4. Het cassatiemiddel houdt niet meer in dat het ontnemingsarrest vernietigd dient te worden omdat verzoekster ten onrechte zou zijn veroordeeld. Voor de redenen waarom verzoekster dit zou zijn overkomen verwijst de steller van het middel naar de cassatiemiddelen, vier in totaal, die zijn ingediend tegen 's hofs arrest in de hoofdzaak.
5. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv Pro. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur, voor zover het zich richt tegen het ontnemingsarrest, voldoet niet aan dit vereiste (vgl. HR 14 januari 2003, nr. 00016/02 P, LJN: AF1193 waarin de cassatiemiddelen woordelijk gelijk waren aan de middelen van cassatie die tegen de veroordeling in de hoofdzaak waren voorgesteld met de aanvulling dat er gezien de onjuiste veroordeling geen wederrechtelijk voordeel was genoten).
6. Nu verzoekster niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv in verbinding met art. 511h Sv niet in acht genomen, zodat verzoekster in het beroep niet kan worden ontvangen.
7. Deze conclusie strekt ertoe verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 In drie samenhangende zaken is één cassatieschriftuur ingediend met vijf middelen. De schriftuur vermeldt uitdrukkelijk dat alleen het vijfde middel is gericht tegen het ontnemingsarrest.