ECLI:NL:PHR:2005:AT3999
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid onttrekking minderjarige aan opzicht gezinsvoogdij-instelling
In deze zaak is verdachte veroordeeld wegens het opzettelijk onttrekken van een minderjarige aan het opzicht van een gezinsvoogdij-instelling, die door de kinderrechter was belast met het toezicht op het kind. De minderjarige was met een machtiging tot spoeduithuisplaatsing geplaatst in een crisisvoorziening. Verdachte had het kind ondergebracht op andere adressen en daarmee de aanwijzingen van de gezinsvoogdij-instelling genegeerd.
Het hof oordeelde dat het begrip 'opzicht' ook de juridische situatie omvat die ontstaat door een machtiging tot uithuisplaatsing en dat verdachte het kind aan dit opzicht had onttrokken. Het beroep van verdachte dat zij handelde in het kader van zorgvuldige hulpverlening werd verworpen omdat geen feiten aannemelijk maakten dat zij daadwerkelijk betrokken was bij de zorg voor het kind.
De Hoge Raad bevestigt dat het opzicht dat door een gezinsvoogdij-instelling wordt uitgeoefend binnen de wettelijke bevoegdheden een vorm van opzicht is als bedoeld in de artikelen 279 en 280 Sr. De beslissing van de kinderrechter tot uithuisplaatsing wordt geacht rechtskracht te hebben, ook al was de rechter mogelijk onbevoegd. Het enkele feit dat de minderjarige bij haar moeder wilde blijven is onvoldoende om een beroep op zorgvuldige hulpverlening te dragen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar, opgelegd door het hof.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden wegens het onttrekken van een minderjarige aan het opzicht van de gezinsvoogdij-instelling.