ECLI:NL:PHR:2005:AT4351
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid afluisteren telecommunicatie bij hennepteelt en opsporingsbevoegdheden
Deze zaak betreft cassatieberoepen tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarbij verdachten zijn veroordeeld wegens medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie gericht op hennepteelt. Centraal staat de rechtmatigheid van het bevel en de machtiging tot het opnemen van telecommunicatie op grond van art. 126m Sv.
De verdediging voerde aan dat de verdenking onvoldoende ernstig was om afluisteren toe te staan, mede gezien het relatief lage strafmaximum voor het bezit van softdrugs en het ontbreken van aanwijzingen voor georganiseerde misdaad op het moment van machtiging. Het hof oordeelde echter dat de rechter-commissaris in redelijkheid kon aannemen dat de verdenking een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormde vanwege de grootschalige en langdurige hennepteelt en de samenhang met andere strafbare feiten.
De Hoge Raad bevestigt dat de OvJ bevoegd is tot het bevelen van telecommunicatieopname na schriftelijke machtiging van de RC, die de verdenking en de proportionaliteit moet toetsen. De zittingsrechter beoordeelt de rechtmatigheid marginaal, tenzij sprake is van onredelijkheid. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht de ernst van de verdenking heeft beoordeeld aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden uit de startnota, en dat het hof de proportionaliteit en subsidiariteit correct heeft toegepast.
Verder is geoordeeld dat een vormverzuim bij het meeluisteren tijdens een telefonisch onderhoud tussen verdachte en raadsman niet tot bewijsuitsluiting leidt, omdat geen nadeel voor de verdachte is vastgesteld. Ten slotte is een strafvermindering opgelegd wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van de afluistermachtiging en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.