ECLI:NL:PHR:2005:AT5542
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van statutaire beperkingen binnen landbouwcoöperatie VTN op grond van EG-mededingingsrecht
De telers waren lid van de landbouwcoöperatie VTN en verplicht hun producten via deze coöperatie te verkopen. Zij zegden hun lidmaatschap in 1997 met onmiddellijke ingang op, maar volgens de statuten eindigt het lidmaatschap pas aan het einde van het boekjaar met een opzegtermijn van minimaal zeven maanden. VTN legde boetes op wegens niet-naleving van de leveringsverplichting.
De telers stelden dat deze statutaire bepalingen in strijd waren met het kartelverbod (art. 81 EG Pro-Verdrag) en het verbod op misbruik van machtspositie (art. 82 EG Pro-Verdrag). Zowel de rechtbank als het hof verwierpen deze vorderingen, waarbij het hof oordeelde dat landbouwcoöperaties een uitzonderingspositie innemen binnen het EG-mededingingsrecht en dat de bepalingen noodzakelijk en evenredig zijn voor continuïteit en goede werking van de coöperatie.
In cassatie betoogden de telers dat het hof onjuist had geoordeeld over de stelplicht, de noodzakelijkheid van de bepalingen en het bewijsaanbod. De Hoge Raad bevestigt echter dat het hof terecht de rule of reason toepaste en dat de telers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de bepalingen verder gaan dan nodig zijn. Ook is onvoldoende gesteld dat VTN een machtspositie misbruikt. De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt dat de statutaire bepalingen verenigbaar zijn met het EG-mededingingsrecht.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de telers wordt verworpen; de statutaire bepalingen van VTN zijn verenigbaar met het EG-mededingingsrecht.