ECLI:NL:PHR:2005:AT5933
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onbruikbaarheid bloedonderzoek bij rijden onder invloed van verdovende middelen
Verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 14 april 2001 te Assen een voertuig bestuurde onder invloed van cocaïne en/of aanverwante stoffen, waardoor hij niet tot behoorlijk besturen in staat was. Het hof sprak verdachte vrij omdat het resultaat van het bloedonderzoek niet als bewijs kon worden gebruikt. Dit omdat het recht van verdachte op een tweede bloedafname, zoals voorgeschreven in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, niet rechtsgeldig was nageleefd.
Het hof oordeelde dat hoewel de mededeling over het recht op een tweede bloedafname was gedaan, de toevoeging dat deze voor eigen rekening zou komen niet in het Besluit alcoholonderzoeken was voorzien. Hierdoor kon het bloedonderzoek niet als bewijs dienen. Het overige bewijsmateriaal was onvoldoende om het ten laste gelegde bewezen te verklaren.
Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen de vrijspraak en voerde aan dat de onjuiste mededeling over de kosten niet tot bewijsuitsluiting mocht leiden. De Advocaat-Generaal stelde dat indien de verdachte door de onjuiste mededeling niet van zijn recht op een tweede bloedafname gebruik kon maken, het bloedonderzoek niet als rechtsgeldig onderzoek kon gelden.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en het middel faalde. De vrijspraak werd bevestigd omdat niet kon worden vastgesteld dat verdachte ook zonder de onjuiste mededeling van het recht op een tweede bloedmonster zou hebben afgezien. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde de vrijspraak omdat het bloedonderzoek onbruikbaar was wegens niet-naleving van het recht op een tweede bloedafname.