ECLI:NL:PHR:2005:AT7097
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot leggen conservatoir beslag tijdens hoger beroep in ontnemingszaak
In deze zaak stond de vraag centraal of de officier van justitie bevoegd was conservatoir beslag te leggen nadat hoger beroep was ingesteld in een ontnemingszaak. De klager stelde dat de advocaat-generaal bij het hof daartoe bevoegd was en dat de beslaglegging door de officier van justitie onrechtmatig was.
Het hof had geoordeeld dat de machtiging tot beslaglegging niet beperkt was tot de in het proces-verbaal genoemde voorwerpen en dat de beslaglegging ook na 22 maanden niet in strijd was met de beginselen van een behoorlijke procesorde, mede gezien de omvang van de betalingsverplichting en het lopende hoger beroep. Tevens stelde het hof dat de beslaglegging door de officier van justitie niet onrechtmatig was, omdat geen wetsbepaling de advocaat-generaal exclusief bevoegd verklaart.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de cassatiemiddelen. Er is geen wettelijke grondslag die de advocaat-generaal bij het hof exclusief bevoegd maakt tot beslaglegging in de appèlfase. De centrale autoriteit blijft de officier van justitie. Ook het tijdstip van beslaglegging was niet strijdig met goede procesorde. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de officier van justitie bevoegd is conservatoir beslag te leggen tijdens hoger beroep en wijst het cassatieberoep af.