ECLI:NL:PHR:2005:AT8302
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het begrip 'onder zijn bereik brengen door middel van braak of verbreking' bij diefstal van kentekenplaten
In deze zaak stond centraal de vraag of het afbreken van kentekenplaten van een auto valt onder het begrip 'onder zijn bereik brengen door middel van braak of verbreking' zoals bedoeld in art. 311 lid 1 onder Pro 5° Sr. Verdachte was door het hof veroordeeld wegens diefstal waarbij hij de kentekenplaten onder zijn bereik had gebracht door middel van braak of verbreking, namelijk door het afbreken van de platen.
De verdediging stelde dat het afbreken van de platen niet kan worden gezien als braak of verbreking, omdat braak of verbreking volgens hen voorafgaat aan het wegnemen van het goed, terwijl hier het goed direct werd weggenomen. Er werd verwezen naar literatuur en eerdere arresten die een onderscheid maken tussen het verbreken van een verbinding om toegang te verkrijgen en het direct wegnemen van het goed.
De Hoge Raad overwoog dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd. Het afbreken van de kentekenplaten was noodzakelijk om de platen te kunnen meenemen, omdat de platen met een bevestiging aan de auto waren vastgemaakt die mede diende ter voorkoming van diefstal. Het hof mocht daarom aannemen dat sprake was van braak of verbreking. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen.
De uitspraak benadrukt dat het begrip braak of verbreking niet beperkt is tot het verkrijgen van toegang tot een plaats, maar ook kan zien op het verbreken van een verbinding die het wegnemen van het goed verhindert. Dit oordeel sluit aan bij de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie, waarbij het gevaarlijkere karakter van diefstal met braak of verbreking wordt onderkend.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het afbreken van kentekenplaten kan worden gekwalificeerd als braak of verbreking en verwierp het cassatiemiddel.