ECLI:NL:PHR:2005:AU0908
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ondernemingsvermogen vordering na verkoop zelfstandig onderdeel onderneming
Belanghebbende exploiteerde een onderneming bestaande uit een taxibedrijf en garagebedrijf en verkocht in 1999 het taxibedrijf aan koper A. De koopprijs werd deels als lening vastgelegd, met een pandrecht aan de bank. De vraag was of de vordering op A tot het ondernemingsvermogen mocht worden gerekend of tot het privévermogen, hetgeen fiscale gevolgen had voor waardering en aftrekbaarheid van dubieuze debiteuren.
Het Hof oordeelde dat de vordering niet tot het ondernemingsvermogen behoorde, omdat geen sprake was van een nuttige functie van de vordering in het voortgezette garagebedrijf en ook niet van een gerede kans dat de exploitatie weer voor rekening van verkoper zou komen. Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte dit oordeel velde en dat de vordering wel degelijk een nuttige functie vervulde, mede vanwege verpanding aan de bank en het negatieve eigen vermogen zonder deze vordering.
De Hoge Raad bevestigt de hoofdregel dat de tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming of zelfstandig onderdeel daarvan in beginsel tot het privévermogen behoort, tenzij bijzondere bedingen en omstandigheden een gerede kans creëren dat de exploitatie weer voor rekening van de verkoper zal geschieden. Het Hof heeft onvoldoende vastgesteld dat een uitzondering op deze hoofdregel van toepassing is. De kredietwaardigheid van de koper is geen grond om de vordering tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Ook de verpanding aan de bank en het negatieve eigen vermogen zijn onvoldoende om de vordering als ondernemingsvermogen te kwalificeren.
Daarmee faalt het cassatiemiddel en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de vordering behoort tot het privévermogen.