ECLI:NL:HR:2005:AU0908
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ondernemingsvermogen vordering na verkoop zelfstandig onderdeel onderneming
Belanghebbende exploiteerde tot 1998 een taxibedrijf en een garagebedrijf in één onderneming. In 1998 verkocht hij het taxibedrijf aan koper A. De verkoopovereenkomst vermeldde de betalingsverplichtingen van de koper aan belanghebbende.
Na oplegging van een aanslag inkomstenbelasting over 1999, die werd gehandhaafd na bezwaar en beroep bij het hof, stond in cassatie centraal of de vordering op koper tot het ondernemingsvermogen mocht worden gerekend. Het hof oordeelde dat de vordering in de regel tot het privévermogen behoort bij verkoop van een zelfstandig onderdeel van de onderneming en dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor een uitzonderingssituatie.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat alleen indien de vordering zo nauw verbonden is met het voortgezette deel van de onderneming dat toerekening tot ondernemingsvermogen redelijk is, hiervan kan worden afgeweken. Dit was hier niet het geval. Het oordeel van het hof was niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de vordering behoort tot het privévermogen.