ECLI:NL:PHR:2005:AU2030
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van aanplakken commerciële posters zonder toestemming in Groningen
De verdachte werd veroordeeld voor het zonder schriftelijke toestemming aanplakken van posters op een plakzuil in de gemeente Groningen, in strijd met artikel 56 van Pro de APV Groningen 1994. Hij stelde zich op het standpunt dat het ging om ideële reclame voor culturele evenementen, die beschermd zou zijn onder artikel 7 Grondwet Pro en artikel 10 EVRM Pro, en dat er onvoldoende vrije plakplekken beschikbaar waren.
Het hof verwierp dit verweer en stelde vast dat de verdachte vrijwel uitsluitend commerciële reclame plakte in opdracht van een bedrijf dat voor diverse bedrijven werkte, meestal voor evenementen met toegangsgeld. De poster met de tekst "Progressive dance" werd als commerciële reclame aangemerkt. Het hof oordeelde dat er voldoende mogelijkheden zijn om op legale wijze te plakken, onder meer via een gedoogvergunning aan de werkgever van de verdachte.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en oordeelde dat het onderscheid tussen handels- en ideële reclame in deze context niet doorslaggevend is. De APV-bepaling is niet in strijd met de Grondwet of het EVRM, en het verweer faalt omdat onvoldoende feiten zijn gesteld die het beroep op de strafuitsluitingsgrond rechtvaardigen. Ook werd benadrukt dat de verdachte onvoldoende heeft meegewerkt aan het aannemelijk maken van zijn stellingen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor het aanplakken van de posters zonder toestemming.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor het zonder toestemming aanplakken van commerciële posters in Groningen.