ECLI:NL:PHR:2005:AU2806
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige overheidsdaad bij wijziging aanbestedingsvoorwaarden na inschrijvingstermijn
In deze zaak staat centraal de aanbesteding van een opdracht tot levering van kantoormeubilair door de Staat en het Nederlands Inkoopcentrum (NIC). Na sluiting van de inschrijvingstermijn werd aan inschrijvers gevraagd toestemming te geven voor uitbreiding van maximaal twee naar maximaal drie leveranciers. [Eiseres], een inschrijver en leverancier, verleende toestemming en kreeg een deel van de opdracht gegund.
[Eiseres] stelde dat de wijziging van het bestek onrechtmatig was en in strijd met Europese aanbestedingsregels, met name het transparantiebeginsel. Het hof oordeelde dat de wijziging na sluiting inschrijvingstermijn niet was toegestaan, maar dat toestemming van [eiseres] de onrechtmatigheid jegens haar uitsloot. Het hof verwierp ook het beroep op schending van het transparantiebeginsel.
De Hoge Raad bevestigt dat het bestek na sluiting inschrijvingstermijn niet gewijzigd mag worden, ook niet met toestemming van inschrijvers. Toch kan een inschrijver rechtsgeldig toestemming verlenen, waardoor de onrechtmatigheid jegens die inschrijver wegvalt. De Hoge Raad wijst verder het beroep af dat de overeenkomst nietig zou zijn wegens schending aanbestedingsregels, verwijzend naar eerdere jurisprudentie dat nietigheid niet volgt uit niet-naleving van deze regels. Het transparantiebeginsel vereist gelijke behandeling en duidelijkheid, maar het bestek was voldoende transparant en gelijke kansen waren gewaarborgd.
De Hoge Raad benadrukt dat dwang of misbruik van omstandigheden de geldigheid van toestemming kan aantasten, maar dat in deze zaak geen sprake was van een dergelijke situatie. Ook wijst de Hoge Raad op de noodzaak van tijdige bezwaarprocedures binnen aanbestedingsrecht om rechtsbescherming te waarborgen.
Samenvattend bevestigt de Hoge Raad dat wijziging van aanbestedingsvoorwaarden na inschrijvingstermijn onrechtmatig is, maar dat toestemming van betrokken inschrijvers dit kan legitimeren, en dat nietigheid van de overeenkomst in dit kader niet aan de orde is.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat wijziging van het bestek na sluiting inschrijvingstermijn onrechtmatig is, maar dat toestemming van inschrijvers de onrechtmatigheid jegens hen opheft en wijst het beroep op nietigheid van de overeenkomst af.