ECLI:NL:PHR:2005:AU4086
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van openbaarheid en toepassing art. 6 EVRM in beklagprocedure inzake inbeslagname op grond van rechtshulpverzoek
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam die verlof verleende om stukken van overtuiging, in beslag genomen naar aanleiding van een Belgisch rechtshulpverzoek, ter beschikking te stellen van de officier van justitie. De rechtbank had op grond van art. 23 lid 5 Sv Pro besloten om belanghebbenden niet op te roepen om het belang van het onderzoek niet te schaden.
De belanghebbende stelde dat de artikelen 552p Sv, 23 lid 2 en 5 Sv en 24 lid 1 Sv waren geschonden door het niet oproepen en niet openbaar uitspreken van de beschikking. De Hoge Raad bevestigde dat art. 6 EVRM Pro in beginsel niet van toepassing is op de beklagprocedure ex art. 552a Sv omdat daarin geen burgerlijke rechten of verplichtingen worden vastgesteld. Alleen in bijzondere gevallen, zoals een ingrijpende beperking van het beschikkingsrecht, kan dit anders zijn, maar dat was hier niet aan de orde.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat hoewel art. 24 lid 1 Sv Pro voorschrijft dat een beschikking in het openbaar moet worden uitgesproken, in gevallen waarin het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad door openbaarheid, ook van openbaarheid kan worden afgezien. Dit geldt met name bij raadkamerprocedures waarbij op grond van art. 23 lid 5 Sv Pro de oproeping en inzage achterwege blijft. De Hoge Raad verwierp daarom het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van de procedure en de beschikking.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank wordt bevestigd.