ECLI:NL:PHR:2005:AU4524
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en aansprakelijkheid bij beëindiging huurovereenkomst ambtswoning overleden predikant
De zaak betreft een huurgeschil over de nakoming van een overeenkomst tot beëindiging van de huurovereenkomst van een ambtswoning, die werd bewoond door een overleden predikant en zijn nabestaanden. De verhuurder, VEG, had een overeenkomst gesloten waarin werd bepaald dat de woning uiterlijk drie jaar na het overlijden van de predikant ontruimd zou worden.
De erfgenamen van de oorspronkelijke verhuurder vorderden een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst op 7 december 2001 was geëindigd en dat VEG tot ontruiming moest worden veroordeeld. De rechtbank wees deze vorderingen toe, maar wees een schadevergoeding af omdat aan VEG geen toerekenbare tekortkoming kon worden toegerekend. Het hof bekrachtigde dit vonnis met een andere motivering.
In cassatie werd betoogd dat het hof de overeenkomst onjuist had uitgelegd en dat VEG aansprakelijk moest worden gehouden voor de schade door het niet ontruimen van de woning. De Hoge Raad oordeelde dat het hof binnen zijn beoordelingsmarge was gebleven en dat de uitleg van de overeenkomst plausibel was. Daarnaast was onvoldoende gesteld en onderbouwd dat er causaal verband bestond tussen de niet-ontruiming van de zoon van de predikant en de gevorderde schade. De klachten werden verworpen en het cassatieberoep afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aansprakelijkheid van VEG voor schade door niet-ontruiming wordt afgewezen.