ECLI:NL:PHR:2006:AS8020
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Betaling onderhoudskosten door deelgenoot en aftrekbaarheid in inkomstenbelasting
Belanghebbende en zijn broer zijn gezamenlijk eigenaar van een verhuurde woonboerderij met aanzienlijke achterstallige onderhoudskosten. De broer beheert de administratie en betaalt de factuur voor onderhoudswerkzaamheden. Belanghebbende bracht deze kosten in aftrek in zijn aangifte inkomstenbelasting 2000, maar de Inspecteur corrigeerde dit deels omdat de betaling niet direct door belanghebbende was verricht.
Het Hof stelde belanghebbende in het gelijk, omdat de broer als penvoerder namens belanghebbende betaalde en verrekening plaatsvond. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatie in met het argument dat betaling door een derde niet gelijkstaat aan betaling door belanghebbende, tenzij sprake is van een rechtsverhouding die een kasrondje impliceert.
De Procureur-Generaal concludeert dat betaling in de zin van artikel 38 Wet Pro IB 1964 plaatsvindt wanneer de schuldeiser het bedrag heeft ontvangen en dat betaling door een derde kan worden aangemerkt als betaling door de belastingplichtige indien een kasrondje via de belastingplichtige aannemelijk is. In dit geval is de broer als penvoerder opgetreden, waardoor de betaling aan de aannemer als betaling door belanghebbende geldt. Subrogatie is niet van toepassing. Het cassatiemiddel wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de onderhoudskosten door belanghebbende zijn betaald en aftrekbaar zijn in 2000.