ECLI:NL:PHR:2006:AT3928
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg werkgeversbegrip en toewijzing heffingsrecht bij uitzending personeel naar België
Deze zaak betreft de interpretatie van artikel 15, paragraaf 2, sub 2, van het oude belastingverdrag tussen Nederland en België (1970) over de toewijzing van het heffingsrecht op loon van een werknemer die deels in België werkt. De kernvraag is of het loon van B, die voor 20% in België werkzaam was en deels via de Belgische vennootschap F SA werd betaald, aan België of Nederland toekomt.
Het Hof oordeelde dat Nederland het heffingsrecht toekomt omdat B formeel in dienst was van de Nederlandse belanghebbende en onvoldoende aannemelijk was dat er een dienstbetrekking met F SA bestond. De boete wegens niet-inhouding van loonbelasting werd vernietigd wegens pleitbaarheid van het standpunt. De belanghebbende stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de betekenis van het werkgeversbegrip in het verdrag en het OESO-modelverdrag, waarbij wordt bevestigd dat niet de formele arbeidsovereenkomst, maar de materiële gezagsverhouding en wie de voordelen en risico's draagt, bepalend zijn. Ook wordt ingegaan op het Belgische attractiebeginsel en de verschillen in interpretatie tussen Nederland en België. De Hoge Raad acht nader feitelijk onderzoek nodig naar de gezagsverhouding en de materiële werkgever in België en verwijst de zaak terug voor verdere feitenvaststelling.
De conclusie is dat het begrip 'betaald door of namens een werkgever' materieel moet worden uitgelegd, waarbij de werkelijke gezagsverhouding en economische drager van de loonkosten centraal staan. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van het belastingverdrag bij grensoverschrijdende uitzending van personeel binnen concernverbanden.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt materiële uitleg van werkgeversbegrip en verwijst zaak terug voor nader feitelijk onderzoek naar gezagsverhouding en loonkosten.