ECLI:NL:PHR:2006:AU3477
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs in zaak invoer en handel draadloze telefoons niet conform Telecommunicatiewet
Verdachte werd beschuldigd van het in de handel brengen van 95 draadloze telefoons die niet voldeden aan de eisen van de Telecommunicatiewet. De economische politierechter stelde vast dat de telefoons vanuit Taiwan waren geïmporteerd en in de handelsvoorraad van verdachte in Leiden waren aangetroffen. Echter, er was onvoldoende bewijs dat verdachte deze telefoons op of omstreeks 12 augustus 2003 daadwerkelijk in de handel had gebracht. Daarom sprak de politierechter verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
De politierechter onttrok wel de inbeslaggenomen telefoons aan het verkeer op grond van artikel 36d Sr, omdat deze telefoons niet aan de wettelijke voorschriften voldeden en ongecontroleerd bezit in strijd was met het algemeen belang. Verdachte voerde verweren aan dat de strafbaarstelling in strijd was met Europese regelgeving, met name Richtlijn 1999/5/EG, omdat de Nederlandse wetgeving invoer en in de handel brengen niet correct onderscheidt. De politierechter ging hier niet expliciet op in, maar het ontbreken van een gemotiveerde beslissing hierover leidde niet tot cassatie.
De Hoge Raad oordeelde dat de politierechter terecht had vastgesteld dat een strafbaar feit was begaan, maar dat het bewijs ontbrak dat verdachte de telefoons op de tenlastegelegde datum in de handel had gebracht. De uitleg van het begrip 'in de handel brengen' in de Telecommunicatiewet sluit aan bij Europese richtlijnen en omvat het oogmerk van distributie of gebruik. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde de vrijspraak, evenals de onttrekking aan het verkeer van de telefoons.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat zij de niet-conforme telefoons op de tenlastegelegde datum in de handel bracht; de inbeslaggenomen telefoons zijn onttrokken aan het verkeer.