ECLI:NL:PHR:2006:AU5277
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geschil over schadeloosstelling wegens onteigening voor Betuwespoorlijn en inkomensschade asfaltcentrale
Deze zaak betreft een geschil over de hoogte van de schadeloosstelling aan [eiseres] wegens onteigening van bedrijfsterrein ten behoeve van de Betuwespoorlijn. Centraal staat de vraag of [eiseres] inkomensschade lijdt doordat zij na onteigening onvoldoende terrein heeft om haar geplande asfaltcentrale rendabel te exploiteren.
In eerste aanleg oordeelden deskundigen en de rechtbank dat 6.865 m² extra vervangend bedrijfsterrein noodzakelijk is om de bedrijfsactiviteiten voort te zetten. Prorail betwistte dit en voerde aan dat de rechtbank onvoldoende had onderzocht of andere opties, zoals aanpassing van de bedrijfsvoering, meer in de rede lagen. De Hoge Raad vernietigde het vonnis en verwees de zaak terug naar het hof voor nader onderzoek.
Het hof concludeerde dat de plannen voor de asfaltcentrale op de peildatum concreet waren en dat het resterende terrein na onteigening voldoende was om de centrale te realiseren, mede door efficiënter gebruik en bestaande opslagfaciliteiten. De kosten van demping van de waterput en compensatie van het waterbergend vermogen werden betrokken in de beoordeling. De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht oordeelde dat [eiseres] geen inkomensschade heeft geleden en dat het beroep in cassatie moet worden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat [eiseres] geen inkomensschade heeft geleden door de onteigening.