ECLI:NL:PHR:2006:AU5471
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor doodslag zonder lijk op basis van verklaringen undercoveragent
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor doodslag op zijn echtgenote, die na een ruzie met een klap in het gezicht verdween en niet meer werd teruggevonden. De inzet van een undercoveragent (A1052) die zich als medegevangene voordeed, leidde tot verklaringen van de verdachte waarin hij zijn aandeel in de dood van zijn vrouw bekende.
De verdediging stelde dat deze verklaringen onrechtmatig waren verkregen door misleiding en psychische druk, en dat de verklaringen van de undercoveragent als bedreigde getuige onbetrouwbaar waren. Het hof oordeelde echter dat de verdachte eigener beweging had verklaard en dat de inzet van de undercoveragent geen inbreuk maakte op de verklaringsvrijheid van de verdachte.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de klachten over onvoldoende motivering en betrouwbaarheid van het bewijs. Tevens werd geoordeeld dat de bewezenverklaring dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat zijn klap fataal zou zijn, voldoende was gemotiveerd. De veroordeling tot een gevangenisstraf van elf jaar en negen maanden werd gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor doodslag en verklaart de inzet van de undercoveragent en de verklaringen als toelaatbaar bewijs.