ECLI:NL:PHR:2006:AU5723
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt beslag op erfenis minderjarige wegens onvoldoende bewijs witwassen
De zaak betreft een beklag tegen conservatoir beslag op een bedrag van €874.874,99, behorende tot de nalatenschap van een overleden persoon, waarvan het Openbaar Ministerie vermoedde dat het vermogen uit criminele activiteiten afkomstig was. De wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige erfgenamen werden verdacht van witwassen door aanvaarding van de erfenis.
De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond en oordeelde dat de wettelijk vertegenwoordigers het geld voorhanden hadden gehad met wetenschap van de criminele herkomst. De verdediging stelde dat de erfgenamen niet strafbaar konden zijn omdat de overledene niet vervolgd kon worden en dat beneficiaire aanvaarding niet gelijkstaat aan voorhanden hebben in de zin van witwassen.
De Hoge Raad overweegt dat het overlijden van de erflater niet verhindert dat het vermogen wordt onderzocht en dat erfgenamen vervolgd kunnen worden voor witwassen. Echter, het enkele feit van beneficiaire aanvaarding betekent niet automatisch dat de wettelijk vertegenwoordigers het geld voorhanden hadden. De Hoge Raad stelt dat het civiele erfrecht niet is toegesneden op criminele nalatenschappen en dat er tijd moet zijn om afstand te doen van criminele bestanddelen.
De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beslag niet opgeheven moest worden en beveelt opheffing van het beslag. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het beslag en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.