ECLI:NL:PHR:2006:AU6525
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging partneralimentatie wegens samenwonen als waren zij gehuwd volgens art. 1:160 BW
De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtgenoten over de beëindiging van de partneralimentatie op grond van artikel 1:160 BW Pro. De man vorderde dat de onderhoudsplicht jegens de vrouw eindigde omdat zij met een ander samenwoonde alsof zij gehuwd waren. De rechtbank wees het verzoek af, maar het hof stelde vast dat de alimentatieplicht per 1 juli 1999 eindigde. De vrouw ging in cassatie tegen deze beslissing.
Het hof had vastgesteld dat sprake was van een duurzame affectieve relatie, samenwoning, wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding tussen de vrouw en haar nieuwe partner. Dit was onderbouwd met diverse feiten, zoals gezamenlijke aankoop van grond, gezamenlijke hypothecaire lening, het ontvangen van post gericht aan de partner op het adres van de vrouw, en verklaringen over hun relatie. De vrouw voerde verweer, maar slaagde er niet in het bewijs van samenwonen te ontkrachten.
De Hoge Raad overwoog dat art. 1:160 BW Pro restrictief moet worden uitgelegd vanwege de verstrekkende gevolgen voor de alimentatiegerechtigde. Het hof had de juiste maatstaf gehanteerd en voldoende aannemelijk gemaakt dat aan de cumulatieve vereisten was voldaan. Klachten over onvoldoende motivering en onjuiste rechtsopvatting werden verworpen. Het cassatieberoep van de vrouw werd verworpen en het voorwaardelijk incidentele beroep van de man hoefde niet te worden behandeld.
Uitkomst: De alimentatieplicht van de man jegens de vrouw eindigt per 1 juli 1999 wegens samenwonen als waren zij gehuwd volgens art. 1:160 BW.