ECLI:NL:HR:1999:AA3884
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Roelvink
- Herrmann
- Jansen
- Fleers
- Hammerstein
- Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Beëindiging onderhoudsverplichting bij duurzame samenwoning als gehuwd
Partijen zijn in 1969 gehuwd en in 1991 gescheiden waarbij de man verplicht werd partneralimentatie te betalen aan de vrouw. De man verzocht de rechtbank om deze onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht te beëindigen en onverschuldigde betalingen terug te vorderen, omdat de vrouw met een ander samenwoonde als waren zij gehuwd.
De rechtbank wees dit verzoek af, maar het hof stelde vast dat de vrouw en haar nieuwe partner vanaf 3 juli 1995 tot het najaar van 1997 een duurzame, affectieve samenwoning hadden met gedeelde huishoudelijke taken en wederzijdse verzorging, en oordeelde dat deze situatie gelijkgesteld moest worden met een huwelijk, waardoor de onderhoudsverplichting vanaf 1 januari 1998 eindigde.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, stellende dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met bijzondere omstandigheden zoals de zorg voor de zieke zoon van haar partner. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaf had toegepast en dat bijzondere omstandigheden slechts een rol kunnen spelen bij de vraag of sprake is van een samenwoning als gehuwd, niet bij het buiten toepassing laten van de wettelijke gevolgen daarvan.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de onderhoudsverplichting van rechtswege eindigt bij een dergelijke samenwoning, ook als bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. De beslissing werd genomen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 17 december 1999.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de onderhoudsverplichting eindigt bij duurzame samenwoning als gehuwd.