ECLI:NL:PHR:2006:AU8319
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verhaalsrecht verzekeraar op bestuurder onder invloed bij cascoschade van geleasde auto
In deze zaak staat centraal of de verzekeraar van een geleasde personenauto het uitgekeerde bedrag ter zake van cascoschade kan verhalen op de bestuurder die onder invloed van alcohol een eenzijdig ongeval veroorzaakte, terwijl deze bestuurder mede-verzekerde is onder dezelfde polis. De rechtbank wees de vordering van de verzekeraar toe, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af op grond van het subrogatieverbod van art. 284 Wetboek Pro van Koophandel jegens mede-verzekerden.
De Hoge Raad bevestigt dat mede-verzekerden niet als derden in de zin van art. 284 K worden beschouwd, waardoor subrogatie op hen niet mogelijk is. Dit volgt uit de tekst, de totstandkomingsgeschiedenis en de heersende leer. De wetgever heeft dit uitgangspunt overgenomen en uitgebreid in het nieuwe Burgerlijk Wetboek, waarbij ook andere personen in een bijzondere relatie met de verzekerde worden beschermd tegen verhaal.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de bestuurder als mede-verzekerde door aanvaarding van een derdenbeding partij is geworden bij de verzekeringsovereenkomst. Hierdoor kan hij zich niet beroepen op onbekendheid met het verhaalsrecht van de verzekeraar. Voor de uitoefening van het verhaalsrecht op grond van de polisvoorwaarden is niet vereist dat de bestuurder voorafgaand aan het ongeval bewust met het verhaalsbeding bekend was, aangezien hij gebonden is aan de polisvoorwaarden conform de maatstaf van art. 6:232 BW Pro.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het subrogatieverbod jegens mede-verzekerden en oordeelt dat het verhaalsrecht uit polisvoorwaarden niet afhankelijk is van voorafgaande kennis van de bestuurder.